Vaarwel asielzoeker

NRC Weekblad, 10 – 16 april 2010

vaarwel asielzoeker

Het laatste zetje
Hoe beweeg je uitgeprocedeerde asielzoekers terug te gaan naar hun land? Dat is het werk van de Vertrekdienst. Twee ambtenaren. Twee vreemdelingen. Uitzwaaien is mensenwerk.
Tekst: Leonie van Nierop

reportage Dienst Terugkeer en Vertrek
Het is nog nacht als Jannes door de kale vertrekhal van Schiphol banjert. Hij is op zoek naar Twana, die weg moet. Als de kleine Irakees zich aarzelend meldt, geeft Jannes hem een ferme klap op de schouder. Hij was even bang dat Twana niet zou opdagen, zegt hij. “Sommigen trekken hun keutel weer in”. Twana kijkt hem niet-begrijpend aan. Bij de gate krijgt de uitgeprocedeerde asielzoeker een dikke envelop uit handen van Jannes, regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Duizend euro in briefjes van vijftig. De Irakees propt het zaakje haastig in de zak van zijn jekker. Twana en de Twentenaar nemen afscheid met een onhandige omhelzing. Twana blijft net te lang in Jannes' stugge leren jas hangen voor hij met natte ogen achteruit wegloopt. Tegen een paal. Zo hard zwaait hij. Dan wacht Jannes tot het vliegtuig, met bestemming Arbil, vertrekt. De vreemdeling kan immers nog stampij maken, de gezagvoerder kan hem nog weigeren. En dan zou hij weer in Nederland op straat staan. Met zijn buit. Blijven tot het toestel taxiet noemt Jannes “een kwestie van zorgvuldigheid”. Daar houdt hij van. Net, bij het afscheid, had Jannes het wel even moeilijk, zegt hij met een blik op het vliegtuig. “Maar nu ben ik er alweer klaar mee. Als het gebeurd is, is het gebeurd. Dat moet, anders raak je vol. Er komen steeds nieuwe.” Vanmiddag laat Jannes vier vreemdelingen oppakken door de Vreemdelingenpolitie. Met hetzelfde gemak. Eerst zet hij ter hoogte van Naarden twintig minuten zijn auto stil om een uiltje te knappen. Want, zegt hij, “dit is topsport”.

Het Laatste Zetje

 

Volgens het boekje
Twana is de zeventiende vreemdeling die dit jaar onder begeleiding van Jannes 'vrijwillig' Nederland verlaat. Dit is vertrek volgens het boekje. Na een afgewezen asielaanvraag moet de vreemdeling, officieel binnen 28 dagen, terugkeren naar zijn land van herkomst. Uit vrije wil, als het even kan. Dat is voor de Nederlandse schatkist goedkoper dan vreemdelingenbewaring. Én dat vindt de vertrekdienst, onderdeel van het ministerie van Justitie, humaan. Ga er maar aan staan. Een vreemdeling is niet voor niets uit zijn geboorteland vertrokken. En hij is niet naar Nederland gekomen om te worden weggestuurd. Waarom zou hij, eenmaal uitgeprocedeerd, meewerken aan zijn eigen vertrek? Hij zal tot het laatste moment proberen aannemelijk te maken dat hij niet terug kan, zodat hij wegens 'schrijnendheid' of 'overmacht' alsnog aanspraak mag maken op een verblijfsvergunning. Pas als hij gelooft dat de kans daarop volledig verkeken is, zal hij terugkeer overwegen. Dan kan hij op eigen houtje gaan, of met hulp van de Vertrekdienst. Of hij weigert te vertrekken. In dat geval is de kans groot dat de Vertrekdienst hem aangeeft bij de Vreemdelingenpolitie. Die houdt hem vast tot de marechaussee hem, al dan niet met escorte, op het vliegtuig zet. Tenzij hij voortijdig onderduikt in de illegaliteit. Dan wordt hij afgeschreven als ‘mpb’, met onbekende bestemming vertrokken. De regievoerder en de vreemdeling zijn tegenspelers in een precair spel. Om hun –strijdige – doelen te kunnen bereiken, zullen ze moeten samenwerken. Maar hun uitgangspositie is ongelijk. Wat voor de regievoerder een zakelijke klus is, voelt voor de vreemdeling als een zaak van leven en dood. Waar de regievoerder kan dreigen met aangifte bij de Vreemdelingenpolitie en kan verleiden met een zak centen, staat de vreemdeling met lege handen. Hij kan slechts smeken, traineren, liegen, bluffen en manipuleren. Het speelveld: formicatafels in gemeentehuizen, detentiecentra en de ‘vrijheidsbeperkende locatie’ in Ter Apel. De burelen van vluchtelingenorganisaties en asielzoekerscentra, van Musselkanaal tot Sweikhuizen. Jannes (56) houdt kantoor in het asielzoekerscentrum in Emmen. Hij heeft uitzicht op rijen roestbruine bungalows, een verlaten basketballveldje. Aan de muur van zijn werkkamer hangt een trouwfoto van een Palestijns stel dat hij heeft geholpen terug te keren. In de vensterbank staat een doos papieren zakdoekjes. Hier wordt nogal eens gehuild. Jannes noemt zijn werk “een sprookje”. Hiervoor werkte hij jaren bij de Immigratie – en Naturalisatiedienst (IND). Ook dat beviel hem reuze, zegt hij. “Je krijgt de hele wereld aan je bureau.” Jannes is zelf nooit verder gekomen dan Mallorca. Het mooiste vindt Jannes het contact met mensen. “Als regievoerder probeer ik vreemdelingen het gevoel te geven dat ik iets voor ze kan betekenen.” In tegenstelling tot de mensensmokkelaar die ze afzette, hun advocaat die niet bracht wat ze hoopten, de rechter die in hun nadeel oordeelde en de immigratiedienst die zei dat ze weg moeten. Jannes: “Ik kan ze een toekomst geven.” In het land van herkomst, wel te verstaan. Jannes denkt niet snel dat het oneerlijk is dat iemand terug moet. Dat is immers door een ander beslist. Jannes voert het besluit alleen uit. Hij speelt het spel zo: “duidelijk en eerlijk”. Hij zegt vreemdelingen letterlijk: jij maakt de keuze, vertek je vrijwillig of wil je in een dwangbuis terug? Jannes: “Dan zeggen ze toch vaak: verrek.” Waar een wil is, is een weg terug. Deze zin zegt Jannes graag. Net als deze: “Ik heb de status van een ambtenaar, maar ik ben gewoon Jannes.” Jannes is een man die het koffiezetapparaat op zijn werk helemaal afwast nadat hij het heeft gebruikt. En in het voorbijgaan deuren sluit die anderen open hebben laten staan. Elke zaak vraagt om een andere aanpak, zegt Jannes. “Maatwerk noemen wij dat.” Neem bijvoorbeeld een Somaliër, zegt Jannes. “Als je hem in een schuur zet en elke dag een emmer voer naar binnen gooit, is hij bij wijze van spreken al tevreden. Die krijg je moeilijk weg.” Dat is vaak een karweitje voor de Vreemdelingenpolitie. De vier mannen die Jannes die dag laat ophalen in Emmen werkten onvoldoende mee, vindt hij. “Maar detentie is geen strafmaatregel, het is een vertrekmaatregel.” Ze zullen worden vastgehouden in Zeist of Alphen aan den Rijn, voor ze door de marechaussee in het vliegtuig worden gezet. Zo nodig geboeid. Jammer, vindt Jannes. “Ze konden er ook voor kiezen om met opgeheven hoofd en volle zakken terug te keren, net als Twana. Maar voor wie niet weg wil, ben ik meedogenloos.”

"Jij maakt de keuze: vertrek je vrijwillig of wil je in een dwangbuis terug?"

Twana uit Irak
Jannes wilde ook Twana laten oppakken omdat hij vertikte mee te werken aan zijn vertrek. Twana woonde toen nog in het asielzoekersentrum in Emmen. Maar Twana trok een sprintje toen de Vreemdelingenpolitie hem september vorig jaar kwam halen en verdween in de illegaliteit. In de boeken werd geregistreerd dat hij was vertrokken. Toen Twana in december weer contact zocht met Jannes, stuurde hij in de e-mail zijn postcode en huisnummer mee. Schiedam, constateerde Jannes. Een telefoontje naar de Vreemdelingenpolitie was voldoende geweest. “Maar wie mijn vertrouwen vraagt, krijgt dat”, zegt Jannes. Dus sprak Jannes begin dit jaar af om Twana halverwege te ontmoeten, in het gemeentehuis in Woudrichem. Voor een welwillende vreemdeling zit Jannes met liefde uren in de auto. In een zaaltje zonder ramen staan koffie en thee klaar. De 32-jarige Irakees wil niks. Hij zweet. Zijn irissen schieten schichtig heen en weer, tussen Jannes en de tolk. Naar eigen zeggen moest Twana, een Koerdische basisschoolleraar, vluchten uit Noord-Irak omdat er problemen waren met stammen. Meer wil hij er niet over zeggen. In 2004 landde hij via Syrië met een vals paspoort op Schiphol en vroeg hij asiel aan. De immigratiedienst achtte zijn asielrelaas niet geloofwaardig, zijn beroep werd in 2008 afgewezen bij gebrek aan nieuwe feiten. Intussen verbleef hij jaren in asielzoekerscentra te Dongen, ter Apel en Emmen. Hij zat een kleine maand op de detentieboot bij Zaandam. Hij noemt zijn verblijf in Nederland “verschrikkelijk”. Maar hij is bang om terug te keren naar Irak. “Kerel”, zegt Jannes, “je hebt zes jaar van je leven vergooid. Ben je leraar, zit je in zo’n klotecentrum. Je bent nog zo jong, maak nu de juiste keuze.” Nadat de tolk dit heeft vertaald, knikt Twana. Hij begrijpt dat hij hier geen toekomst heeft, zegt hij. Zijn leven als illegaal is hels. Hij kan niet werken, niet leren, moet altijd op zijn hoede zijn. Hij durft niemand te vertrouwen. Behalve Jannes. Twana weet niet dat het juist Jannes is geweest die hem bij de Vreemdelingenpolitie heeft aangegeven. Twana ziet Jannes neti als onderdeel van Justitie, zegt hij. “Ik voel dat jij echt me echt met hart en ziel helpt. Ik vergelijk je advies met dat van een vader aan een zoon.” Twana’s ogen worden rood, zijn stem hapert. Daar komen de tranen. “Je zou gerust mijn buurman mogen zijn”, zegt Jannes zonder een spier te vertrekken. “Maar ik heb het niet voor het zeggen.” Wat Jannes wel kan doen, is hem geld meegeven om in Irak een bestaan op te bouwen. Daarmee kan Twana bijvoorbeeld een naaiatelier beginnen, zegt Jannes. Twana heeft nog nooit een naald of draad in zijn handen gehad. Maar de eerste broek die hij maakt, is voor Jannes, zegt hij plechtig. Jannes buldert van het lachen. Hij weet dat ze na Twana’s vertrek nooit meer contact zullen hebben. Hij weet ook dat de kans bestaat dat het geld bij aankomst in Irak wordt afgepakt. Of dat Twana het geld niet investeert in broodwinning. “Maar ja”, zegt Jannes, “daar zijn we niet meer bij. Dat valt buiten mijn verantwoordelijkheid.” Eerder gaf Jannes geld mee voor een vishandel in Rwanda, een taxi in Burundi, een sportschool in Oekraine. Je kunt het zien als een beloning voor goed gedrag, een oprotpremie, of als cadeautje. Maar Jannes is geen sinterklaas, zegt hij. Soms geeft hij niets. En al bestaat er geen limiet, meer dan 1.600 euro geeft hij niet. Een schijntje, vindt hij. “Zeker als je bedenkt dat een vreemdeling de Nederlandse Staat maandelijks meer kost.” Toch is het bedrag volgens Jannes vaak genoeg om een vreemdeling het laatste zetje te geven. En geld heeft een “aanzuigende werking”, zegt Jannes. “Op zo’n centrum is snel bekend: die kerel van de vertrekdienst, daar kan ik wat mee”. Dan tikken nieuwe vreemdelingen op zijn ruitje.

Regievoerder Jitske
Die aantrekkingskracht hebben niet alle vijfhonderd medewerkers van de vertrekdienst. Zo doet Jitske als regievoerder vooral zaken van uitgeprocedeerde asielzoekers die niet in asielzoekerscentra wonen. “Die mensen zijn hier al jaren en hebben een groot sociaal vangnet dat aan ze trekt. Die moet je echt losweken, van kerk, school, werk en vrienden.” Dagelijks rijdt ze door de provincie om vreemdelingen ervan te overtuigen dat ze maar beter kunnen gaan. Haar strategie: erop blijven hameren dat iemand niet kan blijven. “Steeds iets dwingender.” Per geval kijkt ze hoe lang ze mee wil gaan in iemands zorgen, angsten en twijfels. En waar het ophoudt. Want Jitske kan ook hard zijn, “Als iemand niet wil meewerken en zich niet afspraken houdt, ben ik er klaar mee. Dan vraag ik de Vreemdelingenpolitie hem in bewaring te stellen en draag ik zijn dossier over.” Jitske (50) zou haar beroep bepaald geen sprookje willen noemen. Ook geen droombaan. Ze koos voor dit werk omdat het haar bracht op de plek van haar dromen: Friesland, waar ze werd geboren en zich na jaren bij de immigratiedienst in Den Haag weer nestelde, met gezin en geitjes. Ze is blij dat ze kon overstappen toen de vertrekdienst in 2007 werd losgemaakt van de immigratiedienst. Ze weet ook: “Ik ben deel van dezelfde overheid. Ik heb heus geen oogkleppen op. Maar aan mij kleeft niet het negatieve beeld dat mensen vaak hebben van de IND.” Als haar op verjaarspartijen wordt gevraagd wat ze doet, zegt ze meestal niet dat ze voor de vertrekdienst werkt. Mensen kijken zo raar. Ze zegt: ik praat met vreemdelingen die zijn uitgeprocedeerd over terugkeren naar hun eigen land. Jitske: “Dat is mijn versie van de waarheid. Al is het misschien hetzelfde als uitzetten.” Jitske ziet haar werk liever zo: pragmatische belemmeringen slechten. “Als iemand heel ziek is, moet je kijken of je dat kunt oplossen. Als iemand geen documenten heeft, moeten we die regelen. Als iemand een extra koffer nodig heeft, koop ik die.”
Dit jaar heeft Jitkse pas twee vrijwillig vertrekkende vreemdelingen uitgezwaaid. Dat is niet erg, zegt ze, er zijn geen strikte targets. Volgens Jitske is er wel een streefgetal van tien vrijwillige vertrekken per regievoerder per jaar, “Maar ik jaag niet op vreemdelingen. We hebben wel met mensen te maken.” Binnen de officiële vertrektermijn van 28 dagen blijft ze vrijwel nooit. Dikwijls is die al ver overschreden voor een vreemdeling bij de vertrekdienst komt. En vaak trekt Jitske meer tijd voor iemand uit. Burgerlijke ongehoorzaamheid noemt ze dat. “Je moet als regievoerder soms die ruimte nemen. Want het gaat uiteindelijk om het resultaat: iemand humaan wegzetten. Soms duurt dat wel een jaar. Neem Ahmed: die is hier al zo lang, wat maken die paar weken dan nog uit?

"Ik jaag niet op vreemdelingen. We hebben wel met mensen te maken."

Ahmed uit Sierra Leone
Ahmed woont in Sneek. De gemeente weet dat, maar schrijft hem niet in. Op papier is Ahmed (52) namelijk zelfstandig vertrokken. Maar hij is nog steeds hier, met zijn droeve ogen en zijn bolle wangen. Tot 1998 was Ahmed een gelukkige kantoorklerk, zakenman en grondbezitter in West-Afrika. Tot de oorlog uitbrak, zijn huis werd geplunderd en hij werd meegenomen door rebellen. In 2001 vluchtte hij per schip naar Rotterdam. Vanwege een speciaal beschermingsbeleid, dat destijds gold voor mensen uit zijn regio, kreeg Ahmed tot september 2004 een tijdelijke verblijfsvergunning. Zijn nieuwe aanvraag voor onbepaalde tijd werd begin 2007 afgewezen. De immigratiedienst achtte zijn vluchtverhaal ongeloofwaardig. Daarbij had Ahmed geen papieren om aan te tonen dat hij was wie hij zei dat hij was. Sindsdien is hij illegaal. Hij spreekt al een beetje Fries. Ahmed komt telkens braaf opdagen als Jitske hem ontbiedt. Omdat hij gezagsgetrouw is, zegt hij, en bang dat hij wordt opgepakt als hij niet meewerkt. Maar hij wil onder geen beding naar huis terug. Jitske heeft weken geleden geregeld dat hij zonder pas naar Brussel kan om daar bij zijn ambassade een laissez-passer, een eenmalig reisdocument, te regelen. Maar hij is nog niet opgeroepen voor presentatie. De ambassade heeft niks met de termijnen van de vertrekdienst te malen. Dat wordt nog lastig, zegt Jitkse. “Van zijn geboorteland weten we dat ze niet willen meewerken aan gedwongen vertrek. Als de vreemdeling tegen zijn ambassadeur zegt: ik wil niet, dan houdt het op.” Zonder papieren kan Ahmed ook niet met harde hand worden uitgezet. Dus moet ze hem zover krijgen dat hij weg wil. Geld zal bij hem niet de doorslag geven, meent ze. Ze gooit het over een andere boeg. “Tegen Ahmed zeg ik steeds: moet je niet loyaal zijn aan je vrouw en kinderen? Laat je die daar zomaar verpieteren?” In het benauwde keukentje van Vluchtelingenwerk in Sneek, waar Ahmed als vrijwilliger werkt, waagt ze een derde poging.
Jitske vraagt eerst hoe het gaat. Niet zo goed, zegt Ahmed. Jitske gaat daar niet op in. “Heeft u nog contact gehad met uw vrouw? Heeft ze al werk?”
Ahmed: “Nee, ze heeft geen geld.”
Jitske: “Moet u dan niet nadenken of u haar kunt helpen?”
Ahmed: “Ja, maar hoe?”
Jitske: “Heeft u er al aan gedacht om terug te gaan?”
Ahmed: Ja, aan gedacht. Maar de situatie is helemaal niet goed.”
Jitske: “Maar hier is het ook moeilijk.”
Ahmed: Elke dag zit ik na te denken. Wat heb ik gedaan? Of ik krijg nachtmerries. Soms zit ik te huilen.”
Jitske: “Zou uw vrouw niet willen dat u terugkomt?”
Ahmed: “Nee, ze vermoorden mensen. Het is nog onveilig.”
Jitske: “Ik gun u een plek waar het u goed gaat.”
Ahmed: “ik ook.”
Jitske: “Maar hier gaat dat niet lukken. Er ligt een negatieve uitspraak van de rechter.” Ahmed verheft zijn stem: “In mijn thuisland heb ik de dood gezien. Soldaten wilden mijn ledematen afhakken.” Hij schreeuwt nu bijna. “Mijn landgenoten kennen geen genade. Er is haat, geweld.”
Het blijft even stil.
Jitske: “Maar er zijn daar misschien wel meer mensen bang. U bent wel heel bijzonder, met de rebellen enzo, maar anderen hebben misschien dezelfde problemen. Die kunnen niet allemaal in Nederland komen wonen. Dat is niet eerlijk.”
Ahmed: “Maar ik ben al lang hier. Ik ben hier veilig.”
Nu valt er een lange stilte.
“Lastig”, zegt Jitske dan.
“Lastig, lastig”, zegt Ahmed. Hij zit er beteuterd bij te kijken.
Jitske zucht, zegt dat Ahmed echt moet nadenken over vertrek en pakt haar tas in.

Op de terugweg, in de auto, zegt ze:”Dit is altijd een afweging tussen mijn mens-zijn en mijn ambtenaar-zijn. Als mens begrijp ik wel dat hij niet terugwil. Ik zie zijn worsteling. Maar uiteindelijk moet ik de knoop doorhakken als ambtenaar. En als hij zijn reispapier heeft gekregen en hij vertrekt niet uit eigen beweging, dan gaat hij met de sterke arm. Zo is het beleid.” Dan zegt ze: “Soms hoop ik dat iemand geen papieren krijgt.” Dan kan ze de immigratiedienst adviseren hem alsnog een verblijfsvergunning te geven en hoeft ze net zelf voor God te spelen.

Om de veiligheid van de vreemdelingen te waarborgen, zijn hun achternamen in dit artikel weggelaten. Ali, die wel op de foto staat, komt in het artikel niet voor. Twana, die wel in het artikel staat, wilde niet op de foto. Het thuisland van Ahmed wordt niet genoemd omdat vermelding betrekkingen met het land kan schaden.

De beide regievoerders die in dit verhaal voorkomen, willen niet met hun achternaam in de krant noch herkenbaar op de foto uit angst voor asielactivisten die eerder collega’s hebben bedreigd.

Vertrekdienst
In 2009 werden ongeveer 16.000 vreemdelingen aangemeld bij de Dienst Terugkeer en Vertrek. Behalve uit 8.000 asielzoekers van wie de vergunningsaavraag na behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd afgewezen, bestaat dit aantal uit illegalen, criminele vreemdelingen en een klein aantal vreemdelingen wier aanvraag voor regulier verblijf (wegens studie, werk of gezinshereniging) werd afgewezen. Vorig jaar werden ongeveer 13.000 vreemdelingen uitgeschreven bij de Vertrekdienst. Ongeveer 5.000 van hen zijn ‘aantoonbaar’ vertrokken, hetzij vrijwillig onder toezicht van de Vertrekdienst (ongeveer 1.000), hetzij gedwongen door de Vreemdelingenpolitie en de marechaussee (ongeveer 4.000). Zo’n vijfduizend vreemdelingen zijn volgens de boeken van de Vertrekdienst zelfstandig en zonder toezicht vertrokken (lees: met onbekende bestemming). Ongeveer 3.000 vreemdelingen hebben een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Buiten de Vertrekdienst om vertrokken vorig jaar ook vreemdelingen uit Nederland, bijvoorbeeld via de Internationale Organisatie voor Migratie, of geheel zelfstandig.